Luxe aan de haven

Een man en twee vrouwen staan bij een rode cabriolet met open kofferbak aan de haven van Napels, met de Vesuvius op de achtergrond.

Inchecken bij Romeo Hotel

De Alfa Romeo glijdt over de kasseien van de Via Cristoforo Colombo.

Na de uitbundige chaos rond de luchthaven en onze eerste kennismaking met het Napolitaanse verkeer lijkt Marco er zowaar plezier in te krijgen. Alsof iedere Vespa die onverwacht voor de Alfa opduikt een persoonlijke uitnodiging is om zijn Italiaanse stuurmanskunst te demonstreren.

Vanaf de achterbank volgt Monica het schouwspel met zichtbaar genoegen.

“Papa?”

“Hmm?”

“Ik begin te begrijpen waarom je een Alfa rijdt.”

Ik draai me half naar haar om.

“Niet opnieuw beginnen, Monica.”

“Ik zeg niets.”

“Dat is precies wat me zorgen baart.”

In de achteruitkijkspiegel verschijnt Marco’s glimlach.

Even later mindert hij vaart.

Voor ons verrijst Romeo Hotel Napoli. Strakke glaswanden en eigentijdse architectuur vormen een opvallend contrast met de historische ziel van de stad die overal rondom ons voelbaar blijft.

Marco stuurt de Alfa tot voor de ingang en zet de motor af. Monica kijkt door het raam omhoog.

“Kijk eens aan.”

“Wat?”

Ze opent haar portier.

“Papa heeft smaak.”

Angélique stapt eveneens uit. “Niet te enthousiast. Straks gaat hij het nog geloven.”

Marco komt om de auto heen. “Ik hoor jullie allebei, hè.”

Monica en ik kijken elkaar aan. Dat begint stilaan een terugkerend probleem te worden.

Een piccolo neemt Monica’s glanzende rode koffer over en even later stappen we de lobby binnen. Het rumoer van buiten valt vrijwel onmiddellijk achter ons weg. Glas, licht, kunst en strak Italiaans design. De ruimte voelt minder als een klassieke hotellobby dan als een galerie waarin toevallig ook gasten verblijven.

Monica vertraagt haar pas. Haar ogen gaan van het interieur naar haar vader. “Oké. Misschien neem ik een gedeelte van mijn eerdere commentaar terug.”

Marco kijkt haar aan. “Een gedeelte?”

“We moeten ergens ruimte voor verbetering laten, papa.”

Angélique lacht. “Ze is nog geen uur in Napels en je opvoeding wordt al geëvalueerd.”

“Mijn opvoeding?”

Monica loopt voor ons uit. “Geen zorgen. Voorlopig krijg je een voldoende.”

Marco zucht.

Ik geef hem een zacht tikje tegen zijn arm. “Existentiële rust, weet je nog?”

Hij kijkt me aan. “Jij helpt niet.”

“Dat was ook niet mijn bedoeling.”

Na het inchecken verdwijnt Monica even naar boven om zich op te frissen. Niet veel later staat ze alweer beneden.

De lange reis lijkt volledig uit haar lichaam verdwenen. Alsof zes maanden Caraïben en één Napolitaanse middag samen voldoende brandstof leveren om nog uren door te gaan.

“Eten?” vraagt Marco.

Monica kijkt hem aan alsof hij eindelijk een verstandige vraag heeft gesteld. “Nu praat je mijn taal.”

We besluiten de Alfa te laten staan. Napels moet je niet alleen zien. Je moet haar bewandelen.


We verlaten de haven en trekken te voet richting het historische centrum.

Met iedere straat lijkt de stad iets dichter om ons heen te komen staan.

De brede ruimte rond de haven maakt plaats voor smalle steegjes en gevels die zo dicht tegenover elkaar staan dat buren elkaar bijna vanuit hun balkon een espresso zouden kunnen aanreiken.

Waslijnen hangen als slingers boven onze hoofden.

Een Vespa wringt zich door een opening die nauwelijks breed genoeg lijkt voor een fiets. Iemand roept vanuit een raam naar iemand beneden. Een deur zwaait open. Verderop rinkelt servies.

En overal geuren.

Versgebakken pizza.

Koffie.

Tomaat.

Waspoeder.

Warme steen.

Napels lijkt niet één geur te hebben, maar honderden tegelijk.

Monica loopt naast haar vader, haar handtas losjes over haar schouder. Ze kijkt voortdurend om zich heen. Niet als een toerist die bezienswaardigheden afvinkt.

Ze kijkt naar deuren. Naar balkons. Naar oude muren. Naar mensen. Bij een gevel vol verweerde affiches en graffiti blijft ze plots staan. Ze laat haar vingers zacht over het ruwe oppervlak gaan.

Castel Nuovo in Napels

“Kijk naar deze muren.” Wij stoppen eveneens. “Dit heeft dezelfde rauwe, eerlijke energie als de straten van Trinidad. Niks is perfect…” Ze doet een stap achteruit en bekijkt de gevel alsof het een schilderij is. “…en juist dáárom leeft het.”

Ik kijk naar de afgebladderde kleuren, de woorden over woorden, de sporen van mensen die hier lang vóór ons voorbijliepen. “Misschien is dat het geheim.”

Monica kijkt naar me. “Een stad hoeft niet mooi te poseren als ze interessant genoeg is om naar te blijven kijken.”

Ze zwijgt een tel. Dan verschijnt dat inmiddels bekende ondeugende lachje. “Wauw.”

Ik voel al wat eraan komt. Ze kijkt naar haar vader. “Papa, ik neem alles terug. Je hebt echt een hoofdprijs geschoten.” Marco begint te lachen.

Maar Monica is nog niet klaar. “Zij praat nóg dieper dan jij na drie glazen rum.”

“Drie?”

“Ik wilde vriendelijk blijven.”

Ik schiet in de lach. Marco slaat een arm om Monica heen en trekt met zijn andere arm mij dichterbij.

“Kom, jullie twee. Voor ik spijt krijg dat ik jullie ooit aan elkaar heb voorgesteld.” Monica kijkt langs hem heen naar mij. “Te laat” 

Ik knik. “Ik vrees dat ze gelijk heeft.””

Marco laat ons onmiddellijk weer los. “Dit was een vergissing.”


We wandelen verder. Hoe dieper we het historische hart van Napels binnendringen, hoe minder de stad zich lijkt aan te trekken van orde.

En hoe aantrekkelijker ze wordt. Hier wordt niet gefluisterd. Hier wordt geleefd.

Een man gesticuleert midden op straat alsof het voortbestaan van Italië afhangt van zijn argument. Twee vrouwen praten vanaf tegenoverliggende balkons met elkaar. Een jongen schiet een voetbal tegen een eeuwenoude muur en ergens achter een openstaand raam klinkt muziek.

Monica kijkt om zich heen en glimlacht. “Napels danst.”

Marco kijkt haar aan. “Niet opnieuw over salsa beginnen.” “Ik zei niets over salsa.”

“Nog niet.” Ze haakt haar arm door de zijne. “Je leert snel, papa.”

Ik loop aan zijn andere kant. “Hij krijgt voorlopig een voldoende.” Monica kijkt over Marco heen naar mij.

En daar is hij weer. Die blik. Die ene fractie van verstandhouding waarvoor blijkbaar geen verdere kennismaking nodig was.

Marco ziet het. “Niet doen.”

“Wat?” vragen we bijna gelijktijdig.

Hij schudt zijn hoofd. “Precies dát.”


Een fotocollage toont een man met twee vrouwen tijdens een wandeling door de kleurrijke straten van Napels en een gezellig Italiaans diner.

Niet veel later bereiken we onze bestemming in het hart van de oude stad: La Locanda Gesù Vecchio.

Geen overdreven grandeur. Geen poging om indruk te maken. Alleen die warme, intieme sfeer van een plek waar de keuken belangrijker is dan het decor en waar de geuren je al vóór de eerste hap vertellen waarom je gekomen bent.

Marco noemt zijn naam. De ober glimlacht en gebaart dat we hem mogen volgen.

We lopen verder naar binnen. Daar wacht een sfeervol gedekt tafeltje. Voor drie.

Monica stopt. Ze kijkt naar de tafel. Naar Marco. Dan naar mij.

“Een tafel voor drie.” Marco trekt een stoel voor haar naar achteren. “Dat zijn we tegenwoordig.” Voor heel even verdwijnt haar plagerige blik.

Ze kijkt naar haar vader. Dan naar mij. En glimlacht. Warm deze keer. “Ja.”

Een klein woord. Maar genoeg. Dan gaat ze zitten en is Monica onmiddellijk weer Monica. “Kijk eens aan, papa. Je hebt zelfs vooruitgedacht.”

Marco trekt mijn stoel naar achteren. “Af en toe gebeurt dat.” Ik ga zitten en vouw mijn servet open.

“Niet te enthousiast, Monica. We willen hem niet overmoedig maken.” Ze kijkt me aan. “Daar heb je een punt.”

Marco neemt tussen ons in ons plaats en schudt zijn hoofd. “Fantastisch. Nog geen halve dag samen en ik zit al in de minderheid.”

Monica leunt achterover. “Puur toeval, papa.” Ik kijk haar aan. “Absoluut.” We houden het precies twee seconden vol. Dan beginnen we allebei te lachen.

Marco kijkt van Monica naar mij en beseft vermoedelijk dat protesteren weinig zin meer heeft.

Op tafel verschijnen drie glazen. De wijn wordt ingeschonken. Buiten leeft Napels onverstoorbaar verder.

Marco heft zijn glas. Wij volgen. Even zijn er geen gevatte opmerkingen. Geen filosofische beschouwingen. Geen vader die zich moet verdedigen tegen twee vrouwen die elkaar veel te snel gevonden hebben.

Alleen wij drieën. Voor het eerst samen aan één tafel. Monica kijkt naar haar glas, vervolgens naar ons. “Op Napoli?”

Marco glimlacht. “Op Napoli.” Ik kijk van vader naar dochter. “En op improvisatie.”

Monica tikt haar glas tegen het mijne. “Kijk. Nu spreken we dezelfde taal.” Drie glazen raken elkaar. Cin cin.

En terwijl ergens vanuit de keuken de geur van langzaam gegaarde uien, pasta en Napolitaanse traditie onze kant op komt, denk ik maar één ding:

Dit tafeltje voor drie zou wel eens heel gezellig kunnen worden.