Marco en Angélique aan de Amalfikust
De Tyrreense Zee ligt er bijna spiegelglad bij wanneer ons zeiljacht langzaam de Amalfikust nadert. Boven ons vangen de witte zeilen nog net genoeg wind om ons geruisloos over het azuurblauwe water te dragen.
Angélique zit iets verderop op het teakhouten dek. Haar bruine haren hebben de strijd met de zeewind al lang opgegeven.
"Niet kijken, Marco.”
“Waarnaar?”
“Naar mijn haar.”
Ik glimlach.
Te laat.
Voor ons rijzen de bergen steil uit zee op. Daartussen lijken pastelkleurige dorpjes zich tegen de rotswand vast te klampen. Vanaf het water ziet het er bijna onwerkelijk uit.
Misschien begint verbeelding wel precies daar: waar werkelijkheid nét iets te mooi wordt om nog helemaal te vertrouwen.
Waar de lucht naar citroenen ruikt
Eenmaal aan wal verandert alles. De stilte van het water maakt plaats voor stemmen, rinkelend servies, scooters in smalle straatjes en een geur die hier overal lijkt te hangen: citroen.
Grote gele vruchten glanzen tussen donkergroene bladeren op de terrassen boven ons.
Later zitten we onder een citroenboom met twee ijskoude glaasjes limoncello voor ons. Beneden wiegt ons jacht rustig in de baai.
Angélique neemt een voorzichtig slokje.
Zo,” zegt ze. “Dat is gevaarlijk lekker.”
Waarom gevaarlijk?”
Ze kijkt naar mijn glas.
“Omdat jij straks nog moet rijden.”
Kersenrood
In de haven staat ze op ons te wachten.
Mijn Alfa Romeo ‘Disco Fiero’.
Diep kersenrood, glanzend in de Italiaanse zon, met een interieur van strobruin leder. Zelfs tussen al het Italiaanse schoon trekt ze de aandacht.
Angélique bekijkt de wagen en vervolgens mij.
“Jij rijdt?”
“Uiteraard.”
“Mooi.”
Ze laat zich in de passagiersstoel zakken, zet haar zonnebril op en glimlacht.
“Dan kan ik tenminste naar het landschap kijken.”
De motor komt met een donkere grom tot leven.
Even later slingeren we langs de kust. Links van ons de rotswand, rechts niets dan blauw, honderden meters lager. De weg krult zich in haarspeldbochten rond de bergen.
Atrani laten we bijna toevallig op ons pad komen. In Furore kijken we vanaf de hoogte naar een smalle kloof die diep beneden in zee verdwijnt. En tegen de avond bereiken we Praiano.
Daar hoeft even niets meer.
De Alfa staat langs de kant van de weg. Haar motor tikt zachtjes na terwijl de laatste warmte uit het metaal verdwijnt. Voor ons zakt de zon langzaam achter Capri en kleurt de hemel van goud naar zachtroze.
Angélique zegt niets.
Dan voel ik haar hand op mijn been en een zacht kneepje.
“Marco…”
Ik kijk haar aan.
Ze knikt naar de horizon.
“Daar. Kijk eens.”
En voor één keer heb ik werkelijk niets aan dat moment toe te voegen.
Op onze lippen hangt nog een vleugje limoncello. Achter ons koelt een kersenrode Alfa af. Beneden ligt de Tyrreense Zee als vloeibaar goud tussen de bergen.
Onze reis is nog maar net begonnen.
En misschien ons verhaal ook.