Soms hoef je nergens naartoe.
Geen plannen. Geen klok die je eraan herinnert dat er straks alweer iets moet gebeuren. Zelfs geen gesprek dat per se ergens over moet gaan.
Alleen wij twee op de sofa.
Buiten ligt de Tyrreense Zee bijna bewegingloos in het donker. Tegen de kust fonkelen hier en daar kleine lichtjes, alsof iemand achteloos een handvol sterren tegen de bergen heeft gegooid. En hoog boven ons doet de hemel daar nog een flinke schep bovenop.
Miljoenen lichtpuntjes.
Angélique ligt dicht tegen Marco aan. Op tafel staan twee glazen die al een tijdje vergeten lijken.
“Volgens mij,” zegt ze zacht, “hebben we vandaag eindelijk iets gevonden waar jij geen foto van hoeft te maken.”
Marco kijkt naar buiten.
“Geef me vijf minuten.”
Angélique lacht.
“Hopeloos.”
Daarna wordt het weer stil.
Niet de ongemakkelijke stilte waarin iemand naar woorden zoekt. Eerder het soort stilte waarin woorden langzaam overbodig worden.
Slow heeft bezit genomen van de kamer.
Marco kijkt nog een tijdje naar de nachtelijke hemel. Dan buigt hij zich iets naar Angélique toe en fluistert zachtjes in haar oor:
Diepe, donkere nacht,
Miljoenen sterren stralen,
Glinsterend heelal.
Angélique zegt niets.
Ze kijkt nog even naar buiten en vervolgens naar hem.
“En dat allemaal zonder camera.”
Marco glimlacht.
“Deze wilde ik onthouden.”
Even later volgt een zachte kus.
Buiten verandert niets.
De zee blijft donker.
De sterren blijven stralen.
En voor één keer hoeft zelfs When Imagine Begins nergens naartoe.
Het mag gewoon even zijn,