Langs kliffen en het gele goud

Sentiero dei Limoni — waar Slow plaatsmaakt voor Glow

Een wandelend koppel geniet tussen de citroenbomen van het schilderachtige Citroenenpad, met uitzicht op de Amalfikust.

De geur was er eerder dan het plan.

Die ochtend, tijdens het ontbijt op het terras, kwam ze vanuit de tuin aangewaaid: citroenbloesem. Fris, zacht en nauwelijks aanwezig. Zo'n geur die je pas opmerkt wanneer je even niets anders doet.

Misschien begon onze wandeling daar al.

Niet op een pad. Niet bij een wegwijzer.

Maar ergens tussen een caffè latte, de ochtendzon en de Tyrreense Zee.


Een paar uur later kronkelt de rode Alfa langs de kust richting Maiori. Het dak open, zonnebril op en de warme lucht vol geuren die elkaar voortdurend lijken af te wisselen: zee, bloemen, kruiden en — steeds opnieuw — citroen.

Een glimlachend koppel rijdt in een rode cabriolet langs citroenbomen en kleurrijke dorpjes aan de zonnige Amalfikust.

Angélique laat haar haren door de wind meenemen.

“Ruik je dat?”

“Citroenen.”

“Dat wist ik, omdat jij het vanmorgen vertelde.”

“Nee. Een gave.”

Ze kijkt me aan.

“Net zoals koffie ruiken vanaf drie kilometer afstand?”

“Precies.”

“Hopeloos.”

Sommige gesprekken verdienen geen vervolg. 

In Maiori laten we de auto achter en zoeken we het begin van de Sentiero dei Limoni op. Vanaf de omgeving van de Collegiata di Santa Maria a Mare begint het landschap vrijwel onmiddellijk omhoog te kruipen.


En met omhoog bedoel ik ook werkelijk omhoog.

Stenen treden. Nog meer stenen treden.

En daarna, ter afwisseling…

stenen treden.

Angélique stopt en kijkt naar me.

“Marco?”

“Ja, zoetje?”

“Dit noemde jij een wandeling.”

“Dat ís het ook.”

Ze kijkt omhoog naar de volgende trap.

“Volgens mij hebben wij verschillende woordenboeken.”

Ik grijns.

“Als je plat en vlak wilt wandelen, moeten we naar Nederland.”

Er volgt een korte stilte.

“Trap jij maar alvast door, schat.”

Vanaf dat moment kijk ik merkwaardig vaak over mijn schouder. 

Maar dan gebeurt het.

Boven ons hangen de eerste citroenen.

Niet een paar exemplaren zoals in een tuin, maar honderden gele vruchten tussen een wirwar van groene bladeren. De bomen staan op eeuwenoude terrassen tegen de hellingen aangebouwd, gedragen door muren en houten constructies. Tussen de takken door verschijnt telkens opnieuw de zee.

Grote, rijpe citroenen hangen tussen groene bladeren aan een houten pergola, met de indrukwekkende Amalfikust op de achtergrond.

Blauw.

Onwaarschijnlijk blauw.

En ineens begrijpen we waarom ze hier spreken over het gele goud van de Amalfikust.

We wandelen verder onder de citroenbomen. Zonlicht valt in vlekken door het bladerdak en ergens beneden glinstert de Tyrreense Zee. Af en toe blijven we staan — zogenaamd om van het uitzicht te genieten, hoewel onze benen daar inmiddels ook een niet onbelangrijk aandeel in hebben.

Bij een kleine stop krijgen we verse limonade.

Angélique neemt een slok en trekt heel even met haar mond.

Zuur?”

“Nee.”

“Natuurlijk niet.”

Ze neemt nog een slok.

“Verfrissend.”

Ik besluit haar waardigheid intact te laten.

Voorlopig.

Langs het pad duiken kleine kerkjes en huizen op. Bougainvillea klimt tegen muren, bloemen groeien waar nauwelijks plaats lijkt te zijn en achter iedere bocht wacht weer een ander uitzicht over de kust.

Hier begint Glow voor mij betekenis te krijgen.

Niet als iets wat je kunt plannen of afdwingen.

Glow zit in de warmte op onze huid. In de kleuren. In vermoeide benen die toch verder willen. In de geur van citrus die zich mengt met de zilte lucht van de zee.

En misschien vooral in dat merkwaardige gevoel dat ontstaat wanneer je nergens anders zou willen zijn dan precies waar je bent.

We lopen naast elkaar verder.

Soms pratend.

Soms zwijgend.

Soms hand in hand.

En regelmatig hijgend, maar dat gedeelte zal Angélique later vermoedelijk uit het verhaal proberen te schrappen.

“Absoluut.”

Wordt vervolgd...  ❤️