Dagen waarin niets moest.

Zon, zee, stilte

De dagen na het onweer kregen nauwelijks nog namen.

Maandag had evengoed donderdag kunnen zijn. De uren werden niet langer verdeeld door afspraken of bestemmingen, maar door andere dingen.

Zonlicht op het dek.

Honger.

Een boek.

Een duik in zee.

Of de eenvoudige vaststelling dat de fles witte wijn koud genoeg was.

WIB lag nog altijd voor anker in de baai en tegenover ons ligt een eiland waar alles begint, en nergens ophoudt.

Het eiland dat ons inmiddels zo vaak intrigeerde omdat wij die naam ervan niet wilden kennen, dat het bijna vreemd zou zijn geweest mocht iemand ons vertellen dat het in werkelijkheid wel degelijk op kaart te vinden is.

Maar niemand kwam het ons vertellen.

Dus blijft het zoals het is.

En wij bleven waar we waren.


Een meeuw zweeft met wijd uitgespreide vleugels boven het blauwe zeewater, een beeld van vrijheid en onbegrensde ruimte.

Warme woorden, koude koffie

Op een ochtend werd de koffie koud.

Niet omdat we hem vergeten waren.

We waren begonnen te praten.

Waarover precies wist ik later niet eens meer. Waarschijnlijk begon het met iets onbenulligs. Een opmerking. Een herinnering. Een vraag waarop geen antwoord nodig was.

Angélique zat tegenover me met beide handen rond haar kopje.

Af en toe nam ze een slok.

Of dacht ze dat toch.

Toen ze uiteindelijk haar gezicht vertrok, keek ik op.

“Wat?”

“Koud.”

“Dan moet ge hem opdrinken.”

“Dat was ik aan het doen.”

“Al drie kwartier.”

Ze keek naar haar kopje.

Daarna naar mij.

“Uw schuld.”

“Natuurlijk.”

Ik zette nieuwe koffie.

Het gesprek ging verder.

Ook die werd lauw.

Een roodharige vrouw duikt vanaf een zeiljacht naar een glimlachende man in het helderblauwe water, omringd door indrukwekkende rotskliffen.

Een andere dag sprongen we vanaf het achterdek in zee.

Geen voorbereiding.

Geen plan.

Het water was te uitnodigend om ernaar te blijven kijken.

Angélique ging eerst.

Tenminste, dat beweerde ze later.

Volgens mijn herinnering had ik haar een bijzonder subtiel duwtje in de juiste richting gegeven.

Volgens haar herinnering was er helemaal niets subtiels aan.

Toen ik zelf bovenkwam, lag ze enkele meters verder met haar haren nat tegen haar gezicht.

“Kom eens hier.”

De toon beviel me niet.

“Waarom?”

“Ik wil u iets zeggen.”

“Dat kunt ge van daar ook.”

Ze begon naar me toe te zwemmen.

Ik zwom achteruit.

“Lafaard.”

“Voorzichtig.”

“Kom hier!”

Even later was er van de serene baai weinig meer over.

Water vloog alle kanten op.

Nieverans keek toe.

Onbewogen.

Een eiland kiest verstandig nooit partij.

Stroomversnelling van de rust

Er waren ook uren waarin werkelijk bijna niets gebeurde.

Angélique las.

Ik schreef wat.

Soms zat ik met mijn camera op het dek en probeerde iets vast te leggen wat zich nauwelijks liet fotograferen: de beweging van licht over water, een schaduw langs de rotsen, het ogenblik waarop blauw even zilver werd. Vogelmomenten in alle rust.

“Ge doet nochtans niets.”

“Precies.”

Daar viel weinig tegen in te brengen.

Op de tafel lag een boek.

Het boek bleef liggen.

Dagenlang op bijna dezelfde bladzijde.

“Ge leest niet veel,” zei ik.

“Ik kom er niet aan toe.”


Donkere, grillige wolken hangen boven zee, terwijl gouden zonnestralen door openingen breken en vrachtschepen aan de horizon liggen.

We kookten wanneer we honger kregen.

Niet wanneer de klok vond dat het etenstijd was.

Soms werd dat uitgebreid. Soms bestond het avondeten uit brood, kaas, tomaten, olijven en alles wat toevallig binnen handbereik stond.

Bij de olijven werd inmiddels niet meer gesproken. Dat was een stilzwijgende overeenkomst. Eén blik was voldoende.

Op een avond bleven we na het eten buiten zitten.

De zon zakte achter de rotsen en het naamloze eiland veranderde langzaam van kleur.

Eerst goud. Daarna koper. Toen rood.

Angélique zat met haar benen opgetrokken naast me.

“Mooi,” zei ze.

Ik knikte.

Mijn camera lag binnen.

Ik stond niet op om hem te halen.

Sommige momentopnames hoeven nergens anders bewaard te worden!

Een jonge meeuw dobbert rustig op het zacht golvende zeewater, waarin het warme avondlicht subtiel weerspiegelt.

De winst van het wachten

Misschien was dat het vreemde aan die dagen.

We hadden tijd, en daardoor leek tijd steeds minder belangrijk te worden. Er waren geen grote gesprekken zoals die avond van De rups in mijn hoofd.

Geen storm die ons benedendeks hield.

Geen reden om het anker te lichten.

En toch ontstond er van alles.

Kleine gesprekken.

Een hand die tijdens het voorbijlopen even over een schouder gleed.

Samen iets klaarmaken zonder af te spreken wie wat deed.

Een glas inschenken voor de ander voordat die erom vroeg.

Gewone dingen.

Misschien waren het juist daardoor goede dagen.


Betrapt

Toch begon Angélique na verloop van tijd iets op te merken.

Niet aan de horizon.

Aan mij.

Ik zat op een middag in de cockpit met mijn smartphone in mijn hand.

Even kijken.

Scrollen.

Nog eens kijken.

Scherm uit.

Een tijdje later opnieuw.

Ik hoorde haar achter me.

Mijn telefoon verdween bijna automatisch met het scherm naar beneden op tafel.

Fout.

Grote fout.

“Wat doet gij?”

“Niets.”

Ze bleef staan.

Ik voelde haar blik zonder haar te hoeven zien.

“Marco.”

“Ja?”

“Waarom ligt uw telefoon ineens omgekeerd?”

Ik keek naar het toestel.

“Dat ligt die wel vaker.”

“Niet waar.”

“Jawel.”

“Nee.”

Ik keek op.

Groene ogen.

Onderzoekende groene ogen.

Dezelfde ogen die inmiddels feilloos onderscheid konden maken tussen mijn gewone gezicht en mijn ik-ben-absoluut-niets-van-plan-gezicht.

“Ge zijt weer bezig.”

“Waarmee?”

“Dat probeer ik juist te ontdekken.”

Ik pakte mijn telefoon en stak hem in mijn zak.

“Er valt niets te ontdekken.”

Ze glimlachte.

Niet omdat ze me geloofde.

Juist omdat ze dat niet deed.

“Goed.”

“Goed?”

“Doe maar.”

“Wat?”

“Uw geheimzinnig gedoe.”

Ze draaide zich om.

Na drie stappen keek ze over haar schouder.

“Maar uw pokerface trekt nog altijd op niks, schattebout.”

Verdorie.

De volgende ochtend evenmin.

En juist daardoor werd ik achterdochtiger dan zij.

Een paar keer betrapte ik haar erop dat ze naar me keek wanneer ik mijn telefoon pakte.

Geen vraag.

Alleen dat kleine glimlachje.

Alsof ze had besloten dat een geheim soms leuker was wanneer je het nog even een geheim liet.

De dagen gleden verder. Het scenario herhaalde zich.

  • We zwommen.
  • Lazen.
  • Praatten.
  • Kookten.
  • Zwegen.
  • Soms deden we iets.
  • Soms helemaal niets.
  • En geen van beide voelde als verloren tijd.

Nog steeds draaide ons schip rustig rond haar anker. De wereld daarbuiten ging ongetwijfeld gewoon verder. Wij trouwens ook. Alleen wat langzamer.

Een feloranje zon zakt langzaam richting de horizon boven een kalme zee, met het donkere silhouet van een eiland op de achtergrond.

Op de vierde avond zaten we opnieuw buiten.

Het water was bijna vlak.

Er stond nauwelijks wind.

Aan de horizon bleef nog een smalle strook licht hangen, terwijl boven ons de ons vertrouwde sterren verschenen.

Angélique schoof wat dichter tegen me aan.

“Marco?”

“Mmm?”

“Hoe lang blijven we eigenlijk nog hier?”

“Waarom?”

“Gewoon.”

“Hebt ge haast?”

“Nee.”

Ze legde haar hoofd tegen mijn schouder.

“Absoluut niet.”

Even was er alleen het zachte klotsen tegen de romp.

Toen voelde ik mijn telefoon in mijn broekzak.

Ik moest glimlachen.

Nog even.

“Mooi,” zei ik.

“Wat?”

“Niets.”

Angélique tilde haar hoofd op.

Daar waren die ogen weer.

“Gij zijt écht iets van plan.”

“Ik?”

Ze bleef me aankijken.

Lang.

Heel lang.

En begon toen te lachen.

“Laat maar.”

Ze kroop opnieuw tegen me aan.

Een roodharige vrouw leest ontspannen op het dek van een zeiljacht, terwijl haar partner de rotsachtige kust fotografeert in het avondlicht.

Nog enkele dagen geleden hadden we ontdekt dat nergens heen hoeven misschien wel een vorm van reizen was.

Nu begon ergens heel stil het verlangen te groeien om weer te vertrekken.

Niet omdat het moest.

Niet omdat onze locatie ons begon te vervelen.

En al helemaal niet omdat er een volgende bestemming op een kaart stond aangekruist.

Er was eenvoudigweg iets ontstaan waarvoor ik graag het anker wilde lichten.

Angélique wist alleen nog niet wat.

En voorlopig…hoefde dat ook niet.

Met niets dat moest gebeuren — en van alles dat gebeurde.