Wij hoeven nergens heen

Een roodharige vrouw en een grijsharige man genieten samen aan boord van een zeiljacht dat door de golven langs de Amalfikust vaart.

Misschien was het precies daardoor dat de stilte daarna anders aanvoelde.

 

De rups in mijn hoofd was er nog.

Maar ze knaagde niet meer.

 

Niet leeg. Niet ongemakkelijk. Eerder alsof er iets was gaan liggen wat de hele avond onrustig door mijn hoofd had gekropen. We zaten nog een tijdje naast elkaar zonder veel te zeggen. Het jacht bewoog nauwelijks. Alleen het zachte klotsen van het water tegen de romp en af en toe het tikken van een lijn tegen de mast verbraken de stilte.

 

Angélique keek voor zich uit.

Ik ook.

Er hoefde niets meer opgelost te worden.

Later die avond hadden we nog even naar het weerbericht geluisterd. Niet uit gewoonte, maar omdat je op zee nu eenmaal beter weet wat er boven je hoofd kan ontstaan. Verspreide onweersbuien. Kans op plotselinge windstoten. Lokaal stevige regen. Het uitzonderlijk warme zeewater en koudere lucht hogerop maakten de atmosfeer behoorlijk onstabiel.

Geen reden tot paniek.

Wel reden om te luisteren.

De komende dagen zou het opnieuw rustiger worden boven het grootste deel van de Tyrreense Zee. Meer zon. Minder gedoe.

Maar eerst moest de nacht nog komen.

Overdag filosoof, ’s nachts houthakker

Ik weet niet wanneer ik precies in slaap viel.

Ik weet wél wanneer Angélique dat deed.

Ergens naast mij begon namelijk een complete bosbouwonderneming aan haar nachtshift.

Ik lag met mijn ogen open naar het plafond te kijken.

Mijn oordopjes deden hun best. Echt waar.

Maar tegen het geweld dat naast mij complete hectares leek te rooien, waren ze niet opgewassen.

Ik draaide me voorzichtig op mijn zij.

Stilte.

Ha ...eindelijk!

Mijn ogen vielen dicht.

GRRRRRR…

Ik opende ze weer.

“Onvoorstelbaar,” mompelde ik.

Angélique bewoog niet.

Geen enkele reactie.

Een vrouw die overdag urenlang kon discussiëren over de grenzen tussen werkelijkheid en verbeelding, bleek 's nachts zelf probleemloos over te schakelen op gemotoriseerde bosbouw.

Uiteindelijk moet ook ik diep zijn weggezakt.

En ergens tussen slapen en dromen gebeurde iets merkwaardigs.

Het geluid naast mij veranderde.

Het zware geronk werd dieper. Regelmatiger.

Bekender.


Geen gesnurk meer.

Een motor...

...Ik zat achter het stuur van de Disco Fiero.

De rode Alfa schoot door de bergen boven de Amalfikust. Bochten kwamen op me af en verdwenen weer achter ons. Ravello flitste voorbij. Mijn handen stevig aan het stuur, Angélique naast me, en bij iedere haarspeldbocht gooide ik de achterkant van de wagen nog verder naar buiten.

Driften.

Nog een bocht.

Nog meer gas.

Ik had in mijn hele leven nog nooit zoveel gedrift.

Een fotocollage toont een slapend koppel in een zeiljacht en hun droom van een avontuurlijke rit in een rode cabriolet langs de Amalfikust.

Angélique keek me aan alsof ze ernstig overwoog haar eerdere analyse van mijn escapisme drastisch te herzien.

Ik lachte.

De Alfa brulde.

En toen…

werd het stil.

Het geluid van de ochtend

Het eerste wat ik hoorde toen ik wakker werd, was regen.

Geen stortbui. Nog niet.

Een zacht, onregelmatig tikken tegen de patrijspoorten.

Ik bleef even liggen en luisterde.

Naast mij lag de oorzaak van mijn nachtelijke rally volkomen vredig te slapen.

Ik keek haar aan.

Toen naar buiten.

Boven zee schoof een loodgrijze lucht langzaam onze richting uit.

Ik stond op.

Een douche later liep ik in mijn donkerblauwe badjas de kajuit weer binnen met een dienblad in mijn handen. Croissants, vers sinaasappelsap en koffie. Een klein vaasje bloemen ertussen.

Een grijsharige man brengt ontbijt op bed naar een roodharige vrouw die zich uitrekt in de gezellige kajuit van hun zeiljacht.

Angélique bewoog.

Strekte haar armen boven haar hoofd.

“Goedemorgen.”

Eén groen oog ging open.

“Hoe laat is het?”

“Laat genoeg om vitaminen te nemen.”

Nu ging ook het tweede oog open.

Ik reikte haar het glas sinaasappelsap aan.

“Eerst dit.”

Ze kwam overeind, nam het aan en keek vervolgens naar de koffiemok op het dienblad.

I love Marco ❤️

Ze trok één wenkbrauw op.

“Bescheiden servies heb jij uitgekozen.”

“Het stond er toevallig.”

"Natuurlijk.”

Ze dronk van haar sap.

Ik keek ernstig toe.

“En?”

“Wat?”

“Voel je al iets?”

“Van mijn vitaminen?”

Ik knikte.

Ze zette haar glas neer en keek me met die blik aan waarvan ik inmiddels wist dat er zelden iets goeds uit voortkwam.

“Dat zullen we moeten opvolgen.”

“Opvolgen?”

“Longitudinaal onderzoek.”

Daar was ze weer. De filosofe had plaatsgemaakt voor het onderzoekertje.

“Angélique…”

“Wetenschap vraagt nu eenmaal herhaalde waarnemingen, Marco.”

Ik wees naar buiten.

“Volgens mij vraagt de meteorologie momenteel iets dringender om mijn aandacht.”

Ze keek langs me heen naar de patrijspoort. Haar glimlach verdween niet, maar werd kleiner.

Boven zee was de lucht inmiddels bijna houtskoolgrijs.

In de verte hing regen als een gordijn tussen hemel en water.

Niet veel later stond ik bovendeks. De regen was ondertussen stevig geworden en de wind trok met korte rukken aan alles wat niet vastzat.

Capuchon op. Regenkleding dicht. Nog één ronde.


Een fotocollage toont een man die zijn zeiljacht door een storm loodst, terwijl een roodharige vrouw beneden geniet van de warme kajuit.

Een lijn controleren.

Iets wat kon verschuiven vastzetten.

Het jacht rondlopen voor een laatste kontrole.

 

De spanning op de landvasten hoefde ik niet te controleren — we lagen tenslotte voor anker — maar juist daarom keek ik nog eens naar wat wél van belang was: ankerpositie, dek, losse spullen, lijnen, alles wat bij een plotselinge windvlaag vervelend kon worden.


Het dek glom van het water. Een golf sloeg tegen de romp en stuurde een wolk van nevel over de boeg.

Door een van de ramen zag ik beneden warm licht. En heel even Angélique.

Een mok tussen haar handen.

Ze zag mij ook.

Ik stak mijn duim op.

Zij antwoordde hetzelfde.

Meer was niet nodig.

Buiten was het koud en nat.

Binnen wachtte warmte. Misschien zit zorg soms gewoon daarin: ervoor zorgen dat de ander zich even nergens zorgen over hoeft te maken.

Toen ik uiteindelijk weer beneden kwam, stond ze al klaar met een handdoek.

“Kom hier.”

“Ik ben niet van suiker.”

“Nee. Maar je druipt wel op mijn vloer.”

“Jouw vloer?”

“Tijdens slecht weer neem ik het gezag tijdelijk over.”

Ze begon mijn haar droog te wrijven.

“Voorzichtig.”

“Stilzitten, Romeo.”

Ik keek haar aan.

“Romeo?”

“Voor je van mijn longitudinale onderzoek een longontsteking maakt.”

Ik begon te lachen.

Daar kon ik weinig tegenin brengen.

“Alles in orde?” vroeg ze daarna.

Ik knikte.

“Alles zit vast.”

“En wij?”

Ik keek even naar buiten.

De regen liep in lange strepen over het glas.

“Wij hoeven nergens heen.”

De kunst van het nietsdoen

Dat bleek verrassend moeilijk.

Niet het nergens heen hoeven.

Daar waren we uitstekend in.

Het nietsdoen daarentegen…

We probeerden het.

Echt.

Een boek kwam op tafel.

Een kaart werd opengevouwen zonder dat we ergens naartoe wilden.

Er werd koffie gezet.

Daarna nog koffie.

We praatten wat.

Zwegen wat.

Angélique las enkele bladzijden en legde haar boek vervolgens ondersteboven op tafel.

“Wat?”

“Niets.”

“Je kijkt.”

“Ik kijk niet.”

“Je kijkt heel nadrukkelijk niet.”

Ze glimlachte.

Buiten trok opnieuw een donkere bui over. Regen ratelde tegen het dek en het jacht draaide langzaam rond zijn anker.

Er gebeurde niets.

En toch was de ochtend voorbij voordat we er erg in hadden. Tegen de middag stonden we samen in de kombuis.

“Wij zouden toch niets doen?” vroeg Angélique.

“Dit is geen activiteit.”

“Je snijdt tomaten.”

“Rustgevend.”

“Ik maak een salade.”

“Therapeutisch.”

“En dat brood?”

“Noodzakelijk.”

Een koppel zit innig tegen elkaar aan met warme drankjes in de sfeervol verlichte kajuit, terwijl de regen tegen de ramen tikt.

Even later stond de tafel vol.

Brood, kaas, wat fijne vleeswaren, tomaten, salade en olijven.

Mijn blik bleef een fractie te lang bij die laatste schaal hangen.

Angélique zag het.

“Nee.”

“Ik zeg niets.”

“Dat gezicht zegt genoeg.”

Ik pakte een olijf.

“Volkomen onschuldig voedingsmiddel.”

“Marco…”

Ik at hem op.

Geen woord.

Sommige herinneringen aan suite 999 kun je beter niet tijdens de lunch analyseren.

We aten verder.

Langzaam.

Zonder haast om de tafel weer af te ruimen.

Later zaten we naast elkaar met onze mokken in de hand, haar hoofd tegen mijn schouder.

Buiten regende het nog steeds.

“We zijn niet erg goed in nietsdoen,” zei ze.

“Nee.”

“Ontbijt gemaakt. Boot gecontroleerd. Gelezen. Gepraat. Gekookt. Gegeten…”

“Vitaminen onderzocht.”

Ze hief haar hoofd op.

“Dat onderzoek loopt nog.”

“Natuurlijk.”

“Longitudinaal.”

Ik zuchtte.

“Uiteraard.”

Ze legde haar hoofd opnieuw tegen me aan. Een tijdje zeiden we niets.

En toen drong het verschil tot me door. Misschien hoefden we helemaal niet te leren niets te doen. Misschien was dat nooit de bedoeling geweest.

Niets hoeven was iets anders.

Geen plaats die op ons wachtte.

Geen uur waarop we moesten vertrekken.

Geen bezienswaardigheid die vandaag afgevinkt hoorde te worden.

We konden koken omdat we honger kregen. Praten omdat er iets te zeggen viel. Zwijgen omdat dat even beter voelde.

En als een gesprek plotseling dieper ging, mocht dat.

Niet omdat we verdieping zochten.

 

Maar omdat er eindelijk genoeg ruimte was om haar te laten ontstaan.

Een frisse blik op dek

Pas veel later op de dag piepten we even buiten en stapten op het dek... De regen was bijna voorbij.

Alles blonk van 't nat.

Het dek, de reling, de lijnen. Druppels hingen aan de tuigage en vielen zo nu en dan naar beneden wanneer het jacht zacht bewoog.

Voor ons lag de Tyrreense Zee.

Links hing nog een zware, donkere wolkenmassa. Daaronder trok een laatste regensluier over het water.

Maar verderop brak de lucht open.

Eerst voorzichtig: Een smalle strook blauw. Daarna zonlicht dat tussen de wolken door een weg naar beneden vond en in lange banen over zee streek. En in de verte tekende de kust zich opnieuw scherper af.

Angélique kwam naast me staan.

We zeiden niets.

Er viel ook niets uit te leggen.

Achter ons lag een dag waarop we nergens waren geweest.

  • Geen dorp bezocht.
  • Geen terras ontdekt.
  • Geen mijlen gevaren.

En toch voelde hij niet leeg.

Integendeel.

“Morgen?” vroeg Angélique uiteindelijk.

Ik haalde mijn schouders op.

“Misschien.”

“Waarheen?”

Ik keek naar de horizon.

“Geen idee.”

Ze glimlachte.

Voor ons werd het blauw langzaam groter. 

Er lagen kaarten beneden. We hadden proviand aan boord. Tijd ook. Ergens achter die horizon lagen Ischia, Procida, Capri en nog tientallen andere mogelijkheden.

Misschien zouden we morgen de trossen — figuurlijk dan, want voor anker heb je weinig trossen los te gooien — weer losgooien en het anker lichten.

Misschien ook niet.

Vandaag hoefden we dat niet te beslissen.

Ik legde mijn arm om haar heen.

Ze schoof wat dichter tegen me aan.

En terwijl achter ons de laatste druppels van de verstaging vielen en voor ons de horizon langzaam lichter werd, begreep ik iets wat eigenlijk geen verdere gedachte nodig had.

Wij hoefden nergens heen.

En vreemd genoeg voelde juist dat als reizen. ❤️

Vanaf het dek van een zeiljacht is een indrukwekkende onweersbui zichtbaar, met donkere wolken, regen en zonnestralen boven de woelige zee.