L’invito

Een ochtend zonder plan.

Sommige ochtenden openbaren zich zonder dat er een idee aan voorafging.

Na een deugdelijke nachtrust, werd ik vroeg wakker.

Naast mij lag Angélique nog diep te slapen. Haar ademhaling rustig, haar koperrode haar half over het kussen verspreid. Ik bleef even liggen, keek naar haar en besloot haar vooral niet wakker te maken.

Napels was zelf al bezig wakker te worden.

Ik kleedde me stil aan en liet mijn camera gewoon op de kamer liggen.

Dat laatste was misschien nog het opmerkelijkste.

Geen tas over mijn schouder, geen lens om doorheen te kijken, geen gedachte aan licht, compositie of dat ene beeld dat misschien ergens op mij stond te wachten.

Gewoon naar buiten, voor een frisse neus.

Ik had nog tijd voordat ik ergens verwacht werd en wandelde daarom richting de rotsachtige kust. De ochtendzon hing al boven de stad en de zee lag daar alsof ze zich van geen enkele menselijke agenda iets aantrok.


Een grijsharige man staat op een rotsachtige klif en kijkt bij zonsondergang uit over de Golf van Napels, met de Vesuvius aan de horizon.

En om een of andere reden had ik het gevoel dat ze naar me riep.

Marco, waar blijf jij?

Ik moest erom glimlachen.

Misschien omdat we binnenkort weer zouden varen. Misschien omdat een mens soms pas merkt dat hij iets gemist heeft wanneer hij het opnieuw voor zich ziet.

Ik liep verder.

Geen foto.

Zelfs mijn hand ging niet automatisch naar een camera die er niet was.

Alleen kijken was voldoende.

Een paar dagen eerder had Monica me verteld dat er die maandagochtend iets bijzonders te beleven zou zijn in het Teatro di San Carlo. Een uitzonderlijke open deur, had ze gezegd. Er zou een repetitie plaatsvinden rond De jonge Verdi.

Ik had vooral haar gezicht beter moeten bekijken toen ze het vertelde.

Maar goed.

Een open deur is een open deur.

Dus wandelde ik naar binnen.

Niemand hield me tegen.

Ik liep verder.

Nog altijd niemand.

En aangezien ik mij op de meeste plaatsen vrij snel thuis voel, zocht ik een plaats uit en ging zitten.


In een rijkversierd operagebouw met gouden balkons en rode fluwelen zetels spreekt een elegant geklede man een grijsharige bezoeker aan, terwijl het orkest op het podium speelt.

De repetitie was bezig.

Ik luisterde.

En genoot.

Vijf minuten werden tien minuten. Tien werden er dertig. Uiteindelijk zat ik er zowat een uur toen iemand naar me toe kwam.

Heel beleefd.

“Signore… l’invito?”

Ik keek hem aan.

“L’invito?”

Alsof híj degene was die iets merkwaardigs vroeg.

Wat gadegij mij nu vragen?

Ik zat daar tenslotte al een uur.

“Smetta di fare scherzi, signore, sono già seduto qui da un’ora!”

Het hielp niet.

Blijkbaar bestond er voor deze zogenaamde open deur nog een klein administratief detail.

Een uitnodiging.

En precies op dat moment zag ik in gedachten het gezicht van Monica.

Die grijns.

Die veel te onschuldige blik toen ze me haar gouden tip had gegeven.

Potverhemelste vlammen.

Mijn eigen dochter had me voor de zot gehouden.

En ze kende me goed genoeg om te weten dat haar plan waarschijnlijk zou werken.

Want waar een ander voor een onbekende deur misschien eerst vraagt of hij naar binnen mag, denk ik doorgaans: Ze staat open.

Pas later, terug in het hotel, trof ik Angélique nog aan op een uur waarop het woord ochtend stilaan enige soepelheid begon te vereisen.

Bijna twintig over twaalf.

Ze zat nog in bed.

Ik had ondertussen al langs de kust gewandeld, naar de zee geluisterd, een uur illegaal van Verdi genoten en was officieel uit een Italiaans operagebouw gevist.

Zij had uitgeslapen.

Ik zette haar latte macchiato bij haar neer.

Ze keek naar me met slaperige groene ogen.

Geen greintje schaamte.

Ik vertelde over mijn wandeling. Over de zee. Over het theater. Over de repetitie.

En uiteindelijk over de man die speciaal naar mijn stoel was gekomen.

Angélique luisterde aandachtig.


Een roodharige vrouw geniet met een speelse blik van een latte macchiato in een luxueuze hotelkamer met uitzicht op Napels en de Vesuvius, terwijl een man tegenover haar gebaart.

Toen verscheen die blik.

“Marco,” zei ze, “wat een uitstekende service. Na een uur sturen ze zelfs persoonlijk iemand om je te begroeten.”

Ik begon te lachen.

Zij ook.

En ergens in Napels liep vermoedelijk een jonge vrouw rond die nog altijd bijzonder tevreden was met zichzelf.

Monica.

Ik besloot dat ik haar later zou bedanken voor de tip.

Heel ernstig.

“Prachtige repetitie. Ze hebben zelfs persoonlijk iemand gestuurd om mij te komen begroeten.”

Alleen wist ik toen al dat ik die zin nooit met een strak gezicht zou kunnen uitspreken.

Angélique misschien wel.

En terwijl zij rustig haar latte macchiato dronk, dacht ik terug aan die ochtend.

Ik had die ochtend geen enkele foto gemaakt.

Toch wist ik precies hoe alles eruitzag.

De rotsen. De zee. Een openstaande deur. Verdi. Een verbaasde Italiaan. Monica’s grijns. En Angélique, die tegen de middag eindelijk wakker was.

Mijn camera had er niets van gezien. Ik des te meer.

En één ding stond vast: wanneer Monica me voortaan zou vertellen dat ergens een deur voor mij open staat, zou ik eerst vragen of daar toevallig ook een uitnodiging voor nodig is.