Trossen los

Waarheen? Dat zien we wel.

Onze laatste ochtend in Hotel Pellegrino begon met een merkwaardige vaststelling.

We hadden te veel spullen. Niet dat Marco dat wilde toegeven.

Hij stond midden in suite 999 met twee geopende koffers voor zich en de ernstige blik van een man die ervan overtuigd was dat een overhemd aanzienlijk minder plaats innam wanneer je het eerst streng toesprak.

Angélique zat op de rand van het bed. Ze keek er al enkele minuten naar. 

“Lukt het?"

“Perfect.”

“Je zit op je koffer.”

“Dat heet efficiënt inpakken.”

“Je zit erop.”

“Gewichtsverdeling.”

Ze beet op haar lip.

“Niet lachen.”

“Ik lach niet.”

“Uw schouders bewegen.”

“Emotie.”

Marco keek haar aan.

“Help liever."

Dat deed ze.

Ze stond op, liep naar haar eigen koffer en klikte hem moeiteloos dicht.

Klak.

Marco keek naar zijn koffer. Toen naar de hare.

“Hoe doe jij dat?”

“Talent.”

“Jij had gisteren drie paar schoenen.”

“Had.”

Hij verstijfde.

“Wat betekent had?”

“Niets.”

Daar was het.

Dat ene woord waarvan hij tijdens hun verblijf in Pellegrino had geleerd dat het vrijwel nooit betekende wat het volgens het woordenboek hoorde te betekenen.

“Niets?”

“Precies.”

Hij besloot zijn nog jonge dag niet onmiddellijk te ruïneren.

Een halfuur later stonden de koffers bij de deur.

De kamer was plotseling veranderd.

Niet fysiek.

Alles stond er nog: het bed, de fauteuils, het terras, de tafel waaraan ze hadden ontbeten.

Maar zodra koffers gesloten zijn, wordt een hotelkamer vreemd genoeg weer gewoon een kamer.

Angélique liep naar buiten.

De Tyrreense Zee lag diep onder haar te schitteren. Een lichte nevel hing boven de horizon en verderop tekenden de bergen zich af tegen een staalblauwe hemel.

Marco kwam naast haar staan.

Geen van beiden zei iets.

Pellegrino had hen goed behandeld.

Misschien zelfs iets té goed.

Er waren vrienden gekomen waar eerst vreemden waren geweest. Er was pétanque gespeeld alsof er een wereldtitel op het spel stond. Ze hadden Ravello gezien, gelachen, gegeten, gedanst, geruzied zonder ruzie te maken en elkaar voortdurend uitgedaagd.

En suite 999…

Angélique keek even achterom.

Nee.

Sommige kamers mochten hun geheimen houden.

“Spijt?”

Ze keek naar Marco.

“Waarvan?”

“Dat we vertrekken.”

Ze dacht even na

“Nee.”

“Zo snel?”

“Juist daarom.”

Hij begreep haar.

Een mooi moment hoefde je niet vast te houden tot het versleten was.

Ze legde haar hand op de zijne.

“Kom.”

Bij de deur bleef Angélique plotseling staan.

“Wacht.”

Marco zuchtte.

“Wat nu?”

“Ik ben iets vergeten.”

“Zie je wel.”

Ze liep terug naar het nachtkastje, pakte iets en stopte het vliegensvlug in haar tas.

Marco had alleen een flits gezien.

 

Wit.

Rood.

Een bus.

Hij kneep zijn ogen samen.

“Angélique…”

“Nee.”

“Was dat—”

“Nee.”

“Maar ik heb—”

“Eveneens nee.”

“Dat is de slagroom.”

Ze zette haar zonnebril op.

“Kunnen we?”

“Je neemt een spuitbus slagroom mee op zee.”

“Marco.”

“Ja?”

“Er zijn momenten waarop vertrouwen belangrijker is dan kennis.”

Hij keek haar lang aan.

“Dat klinkt bijzonder onrustwekkend.”

“Dank je.”

En ze liep de gang in.

Beneden werd afscheid genomen.

Niet groots.

Een handdruk hier. Een omhelzing daar. Een laatste grap van iemand die nog steeds niet verteerd had dat Angélique hem met pétanque alle hoeken van de baan had laten zien.

“Revanche wanneer jullie terugkomen!”

Angélique keek naar Marco.

“Terugkomen?”

Hij haalde zijn schouders op.

“Wie weet.”

Buiten wachtte de zon.

En ergens beneden aan de kust wachtte iets anders.

Hun zeiljacht.

Trossen los - Ons leven op een zeiljacht

Het eerste wat Angélique deed toen ze aan boord kwam, was haar schoenen uittrekken.

Marco zag het.

“Verstandig.”

“Zeg niets.”

“Ik zei verstandig.”

“Uw gezicht zei iets anders.”

“Mijn gezicht is volkomen neutraal.”

“Uw pokerface heeft Ravello niet eens overleefd.”

Touché.

 

Blootsvoets liep ze naar voren. Hier voelde alles anders.

  • Geen marmeren vloer.
  • Geen kamermeisje.
  • Geen sleutelkaart.

Onder haar voeten bewoog het dek zachtjes met het water mee. Lijnen tikten tegen de mast. Vanuit de haven klonken stemmen, een ronkende motor, ergens metaal tegen metaal.

Ze legde haar hand tegen de mast en keek omhoog.

“Dit heb ik gemist.”

Marco stond achter haar.

“Wij zijn nog niet eens vertrokken.”

“Precies.”

De koffers verdwenen benedendeks.

Voorraden werden gecontroleerd.

  • Water.
  • Fruit.
  • Brood.
  • Pasta.
  • Koffie.
  • Wijn.
  • Thee
  • Pasta
  • Groente.
  • Olijfolie.

 

Marco hield de fles omhoog.

Angélique keek ernaar. Hij keek naar haar.

“Nee.”

“Ik zei niets.”

“Uw gezicht.”

“Volkomen neutraal.”

“Marco.”

Hij zette de fles zorgvuldig weg.

“Uitsluitend voor culinaire doeleinden.”

Dat lijkt mij verstandig.”

“Voorlopig.”

Ze wees naar boven.

“Ga varen.”

Welke route kies jij?

Even later kwam de motor tot leven.

Niet luid, maar net genoeg om het laatste stukje verbinding met de wal te verbreken.

Marco stond aan het roer.

Angélique maakte de laatste lijn los.

Ze keek naar hem.

Hij knikte.

De tros gleed weg.

Langzaam verliet het zeiljacht zijn plaats.

De haven schoof achteruit.

Of misschien waren zij het die eindelijk weer vooruitgingen.

Angélique kwam naast hem staan.

“Kapitein?”

“Ja?”

“Waarheen?”

Marco wees naar de plotter.

Ze keek.

Geen route.

Je hebt niets ingevoerd.”

“Nee.”

“Capri?”

“Misschien.”

“Ischia?”

“Kan.”

“Procida?”

“Ook.”

“Sorrento?”

“Waarom niet?”

Ze keek hem aan.

“Dus je hebt werkelijk geen plan?”

“Jawel.”

“Welk?”

Hij wees naar de open zee.

“Daarheen.”

Voor één keer had Angélique geen gevat antwoord.

Ze glimlachte alleen.

Buiten de haven draaide Marco de boeg in de wind.

“Nu jij.”

“Ik?”

“Je wilde toch varen?”

“Dat wil niet zeggen dat ik ineens alles kan.”

“Mooi.”

“Mooi?”

“Dan kan ik je iets leren.”

Ze ging voor hem staan en pakte het roer.

Zijn hand kwam over de hare.

“Niet vechten tegen de boot.”

“Ik vecht helemaal niet.”

“Je knijpt.”

Ik concentreer me.”

“Laat haar voelen wat de wind doet.”

“Haar?”

“Een schip is vrouwelijk.”

Angélique draaide langzaam haar hoofd.

“Voorzichtig, schattebout.”

“Waarmee?”

“Je staat momenteel tussen twee vrouwen.”

Hij lachte.

“En?”

“Eentje kan je overboord gooien.”

“Welke?”

Ze keek naar de zee.

“Dat moet je zelf maar uitzoeken.”

De zeilen gingen omhoog.

De motor zweeg.

En toen gebeurde het.

Stilte.

Niet echte stilte.

Veel mooier.

Water dat langs de romp streek.

Het zachte werken van lijnen.

Doek dat spanning vond in de wind.

Een vogel hoog boven hen.

En de ademhaling van twee mensen die plotseling niet meer hoefden te praten.

Praiano werd kleiner.

De kust verloor langzaam haar details.

Hotel Pellegrino was nergens meer afzonderlijk te herkennen.

Angélique keek achterom.

Niet uit heimwee.

Meer alsof ze een bladzijde omsloeg.

Toen keek ze vooruit.

Alleen zee.

“Marco?”

Mmm?”

“Nu begrijp ik het.”

“Wat?”

“Waarom je terug wilde naar het zeiljacht.”

Hij antwoordde niet.

Dat hoefde ook niet.

Ze ging naast hem zitten en trok haar benen op de bank.

Een tijdje gebeurde er helemaal niets. En dat was verrukkelijk.

Tegen de middag hadden ze geen haven gekozen. Twee uur later, evenmin.

Marco maakte iets eenvoudigs klaar in de kombuis. Angélique sneed tomaten terwijl ze volhield dat haar stukken rustiek waren en beslist niet ongelijk.

“Dat stuk is drie keer zo groot.”

“Karakter.”

“En dat?”

“Artistieke vrijheid.”

“Dat is een halve tomaat.”

“Marco?”

“Ja?”

“Wil je eten of jureren?”

Hij zweeg.

Een wijze beslissing.

Ze aten aan dek: Brood. Tomaten. Olijfolie. Een beetje zout. Koude witte wijn. Niets bijzonders.

En precies daardoor perfect.

Een onbewoond eiland 

Pas veel later veranderde de zee. De wind nam iets af. Het licht werd zachter. Aan de horizon verscheen land. Geen van beiden wist aanvankelijk welk eiland ze precies voor zich hadden.

Marco pakte de kaart.

Angélique hield hem tegen.

“Niet.”

“Niet?”

“Straks.”

“Wil je niet weten waar we zijn?”

“Natuurlijk.”

“Waarom dan—”

Ze nam zijn hand en trok hem terug naast zich.

“Omdat ik nog vijf minuten wil waarin dat daar…”

Ze wees naar het donkere silhouet aan de horizon.

“…alles kan zijn.”

Marco keek naar het eiland.

Toen naar haar.

En legde de kaart weer neer.

Vijf minuten werden tien.

Alleen wij, midden de Thyreense zee 

Toen de avond begon te vallen, vonden ze een beschutte baai.

 

  • Geen restaurant.
  • Geen hotel.
  • Geen vrienden.
  • Geen ober die kwam vragen of alles naar wens was.

 

Alleen een anker dat naar beneden gleed en uiteindelijk houvast vond op de bodem.

Marco zette de motor uit.

Angélique keek om zich heen.

Rotsen.

Donker wordend water.

De eerste ster.

“Dus hier slapen we?”

“Als je durft.”

Ze lachte zacht.

“Na suite 999 denk jij nog steeds dat ík degene ben die moet durven?”

Marco draaide zich naar haar toe.

Dat was een fout.

Want daar was die blik weer.

Niet uitdagend. Niet plagend.

Anders. Rustiger.

Ze kwam dichterbij.

Heel even raakte haar voorhoofd het zijne.

Geen woorden. Geen haast.

Alleen het zachte deinen van hun boot.

Vervolgens kuste ze hem.

Lang genoeg om hem te laten vergeten dat hij iets had willen zeggen. Niet lang genoeg om zijn nieuwsgierigheid tevreden te stellen.

Toen maakte ze zich los.

“Angélique…”

“Mmm?”

“Dat was gemeen.”

“Dat was Slow.”

Hij keek haar aan.

“O nee.”

Ze glimlachte.

“Wat?”

“Ik ken het vervolg.”

“Denk je?”

Ze liep naar de kajuittrap.

Halverwege draaide ze zich om.

“Marco?”

“Ja?”

“Wil jij de wijn meenemen?”

“Natuurlijk.”

“En twee glazen.”

“Goed.”

Ze verdween benedendeks.

Drie seconden later verscheen haar hoofd opnieuw.

“O ja.”

“Wat?”

Die onschuldige glimlach.

“De slagroom staat al koud.”

Een fotocollage toont een koppel dat de koffers pakt, afscheid neemt bij het hotel en met een zeiljacht de Amalfikust verlaat.

Marco keek naar de hemel. Er was geen mens die hem kon helpen. Zelfs de zandman had vermoedelijk besloten deze nacht een andere route te nemen.

Vanuit de kajuit klonk haar stem.

“Kom je nog, schattebout?”

Hij pakte de fles wijn.

Twee glazen.

En bleef boven aan de trap nog één moment staan.

Achter hem lag de kust die ze hadden verlaten.

Voor hen wachtte een eiland waarvan ze de naam nog altijd niet hadden opgezocht.

En beneden wachtte Angélique.

Marco glimlachte. Misschien was dat uiteindelijk de enige koers die ze nodig hadden.

Hij daalde af.

Boven hen bleef het zeiljacht zachtjes bewegen op de donkere Tyrreense Zee.

En Imagine?

Imagine ...die vaart gewoon verder mee!

Wordt vervolgd... ❤️