Verdwenen
De ochtend kwam zonder haast.
Het zeiljacht lag nog precies waar we het de avond voordien hadden achtergelaten, zacht schommelend boven een zee die zo glad was dat de rotswand zich bijna ongeschonden in het water spiegelde.
- Geen motoren.
- Geen stemmen.
- Geen hotelgast die ergens een stoel verschoof.
Zelfs de wind leek besloten te hebben ons nog even met rust te laten. Alleen het zachte tikken van een lijn tegen de mast, wekte mij uit de slaap.
Naast mij was het leeg.
Dat leek me verdacht.
"Angélique?”
Geen antwoord.
Ik trok iets aan en klom naar boven.
Daar zat ze. Blootsvoets op de bank in de kuip, koperrode haren alle kanten op, beide handen rond een mok koffie. Haar blik rustte op het eiland dat in het eerste ochtendlicht langzaam kleur kreeg.
Naast haar stond een tweede mok.
“Goeiemorgen, kapitein.”
“Hoe lang zit jij hier al?”
“Lang genoeg.”
“Waarvoor?”
Ze knikte naar de kust.
“Om te kijken.”
Ik ging naast haar zitten.
“En?”
“Het beweegt nauwelijks.”
“Dat doen eilanden doorgaans niet.”
Ze keek opzij.
“Uw ochtendcharme is werkelijk adembenemend.”
“Dank je.”
“Het was geen compliment.”
Ze schoof de tweede mok naar me toe.
De lege plek
Gisterenavond hadden we bewust niet op de kaart gekeken.
Vijf minuten, had Angélique gevraagd.
Vijf minuten waarin het donkere silhouet aan de horizon nog alles kon zijn.
Die vijf minuten waren inmiddels een hele nacht geworden.
De plotter wist natuurlijk perfect waar we waren.
Mijn telefoon waarschijnlijk ook.
Eén beweging met mijn vinger en het mysterie zou verdwijnen onder coördinaten, plaatsnamen, recensies en foto's van mensen die er vóór ons waren geweest.
Ik pakte mijn telefoon.
Angélique legde haar hand erop.
“Nee.”
“Je weet niet eens wat ik ging doen.”
“Jawel.”
“Misschien wilde ik het weer bekijken.”
Ze keek naar de strakblauwe hemel.
“Levensgevaarlijk.”
Ik legde mijn telefoon weer neer.
Vanaf het water leek het eiland bijna onbewoond.
Rotsen liepen steil omhoog uit zee. Hier en daar groeide groen op plaatsen waar geen weldenkende plant ooit vrijwillig wortel zou schieten. Verderop lag een kleine inham verscholen tussen twee rotswanden.
- Geen strandbar.
- Geen parasols.
- Geen bord met Benvenuti.
Perfect.
“Gaan we kijken?
Angélique draaide zich naar me toe.
“Daar?”
“Daar.”
“Hoe komen we aan wal?”
Ik wees naar de kleine tender achter ons.
Ze keek ernaar.
Toen naar mij.
“Marco?”
“Ja?”
“Wanneer jij zegt ‘we gaan even kijken’, eindigt dat opvallend vaak in situaties waarvoor ik verkeerde schoenen heb meegenomen.”
“Je bent blootsvoets.”
Ze keek naar haar voeten.
“Vooruitgang.”
Een halfuur later trok ik de tender op een smalle strook kiezel. Angélique stapte uit en keek om zich heen.
“En nu?”
“Nu ontdekken we het eiland.”
“Dat klinkt ambitieus.”
“Dan ontdekken we een stukje.”
“Beter.”
Er liep geen echt pad.
Alleen iets wat ooit misschien door geiten als een goed idee was beschouwd.
We volgden het.
Langzaam.
Soms naast elkaar, soms achter elkaar. Op steilere stukken stak ik mijn hand uit. Soms nam ze die aan.
Soms keek ze ernaar en zei:
“Ik kan dit zelf.”
Vijf minuten later:
“Marco?”
“Ja?”
“Hand.”
Ik zei niets. Geen woord.
Ik stak gewoon mijn hand uit.
Boven op de eerste heuvel veranderde alles.
Aan de andere kant lag een kleine baai die vanaf zee onmogelijk zichtbaar was geweest.
Het water had die onwaarschijnlijke kleur die reisbrochures altijd digitaal lijken te overdrijven, behalve wanneer je er zelf voor staat en ontdekt dat de werkelijkheid soms nog erger is.
Angélique bleef staan.
“Wauw.”
Ik keek naar haar.
“Dat zeg jij niet vaak.”
“Jawel.”
“Niet zonder minstens drie extra woorden.”
“Hou nu gewoon even uw mond.”
Dat deed ik.
Beneden lag ons zeiljacht als een klein wit streepje op het donkerblauwe water.
- Verder niets.
- Geen mens.
Geen geluid behalve wind en ergens hoog boven ons een vogel die duidelijk geen boodschap had aan ons bestaan.
Angélique kwam naast me staan.
Haar schouder tegen de mijne.
Niet meer.
Dat was genoeg.
Buiten verwachting bleven er veel langer dan gepland. Wat eenvoudig was, aangezien er geen planning bestond.
We vonden een vlakke rots die uitstekend dienstdeed als terras. Ik haalde brood, fruit en water uit de rugzak.
Angélique keek erin.
“Geen wijn?”
“Het is tien uur 's morgens.”
“En?”
“Water.”
Ze zuchtte.
“De vrijheid op zee blijkt toch grenzen te kennen.”
“En die slagroom heb ik ook niet meegenomen.”
Ze keek me aan.
“Wie zegt dat?”
Stilte.
“Angélique…”
Ze pakte een perzik.
“Niets.”
Ik besloot dat sommige onderzoeken beter niet op een lege maag werden gestart.
Later lag ze naast me in de zon.
Geen gesprek.
Af en toe waaide een lok koperrood haar over haar gezicht en veegde ze die geïrriteerd weg.
De derde keer deed ik het voor haar.
Ze opende haar ogen.
Mijn vingers bleven een ogenblik langs haar wang rusten.
Geen grap.
Geen hmmm.
Alleen die groene ogen die de mijne vonden.
Ze legde haar hand over de mijne en drukte er een kleine kus tegenaan.
Daarna sloot ze haar ogen weer.
En ineens begreep ik waarom ik de kaart nog niet wilde bekijken.
Zodra een plaats een naam krijgt, komt er van alles bij.
- Waar ze ligt.
- Hoe groot ze is.
- Wie er woont.
- Wat je er moet zien.
- Hoeveel sterren bezoekers haar geven.
Maar zolang wij niets wisten, hoefde deze plek helemaal niets te zijn.
Alleen hier.
Alleen nu.
Pas tegen de namiddag daalden we terug af.
Bij de tender keek Angélique nog één keer achterom.
“Marco?”
“Ja?”
“Straks gaan we toch opzoeken waar we zijn?”
“Dat kunnen we.”
Ze aarzelde.
“Of niet.”
Ik glimlachte.
“Ook goed.”
We vaarden terug naar ons zeiljacht.
Aan boord maakte ik koffie terwijl zij vooraan op het dek ging zitten.
Toen ik naast haar kwam, wees ze naar het eiland.
“Het heeft wel een naam nodig.”
“Je wilt niet weten hoe het heet, maar het moet een naam hebben?”
“Onze naam.”
“Vooruit.”
Ze dacht na.
Lang.
Verdacht lang.
Toen verscheen dat glimlachje.
O nee.
“Wat?”
“Nieverans.”
Ik verslikte me bijna in mijn koffie.
“Wat?”
“Nieverans.”
“Dat is geen naam.”
“Nu wel.”
“Angélique, dat eiland ligt ergens.”
“Uiteraard.”
“Dus kan het niet Nieverans zijn.”
Ze draaide zich naar me toe.
“Waar waren wij vandaag?”
“Daar.”
“Waar is daar?”
Ik wees.
“Daar.”
“En als straks iemand vraagt waar we geweest zijn?”
Ik begon te begrijpen waar dit heen ging.
“Nieverans.”
Ze glimlachte tevreden.
“Voilà.”
Stilzwijgen
Die avond haalden we het anker niet op. De kaart bleef dicht. De plotter mocht weten waar we lagen.
Wij hoefden het niet te weten.
De zon zakte achter de rotsen en veranderde het water eerst in koper, daarna in donkerblauw en uiteindelijk bijna zwart.
Angélique zat dicht tegen me aan.
“Denk je dat we morgen vertrekken?”
“Misschien.”
“Waarheen?”
“Geen idee.”
Ze keek naar het eiland.
“Mooi.”
“Wat?”
“Dat.”
Ik volgde haar blik.
“Waarom?”
Ze dacht even na.
“Omdat we tegenwoordig altijd willen weten waar we zijn, waar we naartoe gaan en wat er daarna komt.”
“En?”
“En vandaag waren we gewoon ergens.”
Ik sloeg mijn arm om haar heen.
“Nieverans.”
Ze legde haar hoofd tegen mijn schouder.
“Precies.”
Boven ons verschenen langzaam de eerste sterren.
Achter ons lag een eiland dat waarschijnlijk al eeuwen een volkomen normale naam had.
Maar die naam hebben wij nooit opgezocht.
Ook niet die avond. Niet de volgende ochtend. Misschien later ook niet.
Sommige plekken worden immers niet bijzonder omdat niemand ze ooit gevonden heeft.
Sommige plekken worden bijzonder omdat twee mensen besluiten ze niet verder te verklaren.
En zo werd een stip op de Tyrreense Zee voor één nacht een plek die nergens lag.
Nieverans.
We leggen nergens aan om iets te vinden. Maar wanneer we voor anker gaan, mag er van alles ontstaan.