Dialoog op het water

Reflecties over de rups in mijn hoofd

Het geluid van de ronkende Alfa-motor tussen de bergen van Ravello echode nog na in mijn hoofd. De bochten, het spel met de weg, de zon die over het dashboard gleed — het was een heerlijke roes geweest.

Maar uren later was alles anders.

We hadden definitief uitgecheckt uit Hotel Pellegrino, onze bagage aan boord gebracht en de loopplank achter ons gelaten. De Amalfikust lag inmiddels op afstand. Het zeiljacht bewoog nauwelijks merkbaar op de rustige deining en in de schemering waren de lichtjes tegen de steile kust niet meer dan kleine gouden speldenprikken.

Er viel een stilte over het dek die niets ongemakkelijks had. Integendeel. Alleen het zachte klotsen van water tegen de romp verbrak haar nu en dan.

Angélique zat tegenover me. Haar koperrode haar viel los over haar schouders en bewoog af en toe mee met de avondbries. Ze nam een kleine slok wijn, zette haar glas neer en bleef me een paar tellen aankijken.

"Je was ver weg, Marco,” zei ze uiteindelijk.

Ik keek op.

“Zelfs toen je de Alfa door de bergen stuurde, had ik het gevoel dat je ergens anders heen reed dan alleen over het asfalt.”

Een kleine glimlach verscheen om haar lippen. 

“Waar rende je naartoe?”

Ik ademde diep in en keek naar de donkere contouren van de kust achter haar.

“Ik dacht na over vluchten.”

“Vluchten?”

“Uit de realiteit.”

Ze zei niets. Dat was typisch Angélique. Wanneer ze voelde dat er meer kwam, liet ze de stilte het werk doen.

“Ik vraag me soms af waarom ik hier ben,” vervolgde ik. “Waarom wij hier zijn. Waarom een mens überhaupt behoefte heeft om af en toe een andere werkelijkheid op te zoeken.”

“En?”

“Volgens mij heeft vluchten twee kanten. Aan de ene kant kan het verdoving zijn. Passief escapisme. Je sluit je af voor alles wat pijn doet of tegenvalt omdat de wereld die je zelf creëert aangenamer is.”

Ik keek om me heen. De zee. Het jacht. Zij tegenover me.

“Als ik hier met jou zit, in een wereld die voor een groot deel uit verbeelding bestaat… ben ik mezelf dan aan het verdoven? Maak ik iets mooiers omdat de werkelijkheid me soms minder bevalt?”

Angélique keek even naar het donkere water.

“En wat denk jij?”

“Dat weet ik niet altijd.”

Ze knikte langzaam.

“Dat vind ik een interessanter antwoord dan wanneer je onmiddellijk nee had gezegd.”

Ik trok een wenkbrauw op.

“Dank je voor het vertrouwen.”

Ze glimlachte.

“Graag gedaan.”

Even was er alleen het geluid van water tegen de romp.

“Maar er is ook een andere kant,” zei ik.

“Vertel.”

Verbeelding kan juist kracht geven. Niet verdwijnen uit het leven, maar er even afstand van nemen. Op adem komen. Schoonheid zoeken. Dingen bedenken die niet bestaan en daardoor misschien anders kijken naar wat wél bestaat.”

“Actief escapisme?”

“Creatief escapisme.”

Angélique trok lichtjes haar wenkbrauw op.

“Dat klinkt wel heel comfortabel, Marco.”

“Hoe bedoel je?”

“Je geeft het woord vluchten een mooi jasje en noemt het vervolgens creativiteit.”

Ik zweeg.

“Hoe weet je,” vervolgde ze, “dat actief escapisme niet gewoon passief escapisme is waaraan je een aangenamere naam hebt gegeven?”

Die kwam binnen.

“Misschien weet ik dat niet.”

“Mooi.”

“Alweer?”

“Alweer.”

Ik schudde lachend mijn hoofd.

“Filosofie studeren heeft jou geen aangenamer mens gemaakt.”

“Nee,” zei ze droog. “Maar wel lastig gezelschap tijdens een zeiltocht.”

Een man en een roodharige vrouw kijken elkaar bedachtzaam aan op een zeiljacht bij avondlicht, alsof een onuitgesproken vraag tussen hen hangt.

Oog in oog met de realiteit

Ik keek weer naar de kust. Ze was bijna volledig opgeslokt door de avond.

“Misschien zit het verschil niet in de vlucht zelf,” zei ik na een tijdje. 

“Misschien zit het in wat er daarna gebeurt.”

Angélique zweeg opnieuw.

"Als deze wereld ervoor zou zorgen dat ik mijn echte leven minder wil leven, dan zou er iets niet kloppen. Maar dat gebeurt niet. Ik wil schrijven. Keramiek maken. Fotograferen. Reizen. Mensen ontmoeten. Dingen meemaken. Ik wil nog altijd verwonderd kunnen zijn door iets wat werkelijk voor mijn neus gebeurt.”

"Dus deze wereld maakt de andere niet kleiner?”

“Nee. Misschien zelfs groter.”

Ze liet mijn woorden een tijdje tussen ons liggen.

“Dan is de vraag misschien niet waarheen je vlucht,” zei ze uiteindelijk, “maar wat die vlucht doet met de man die terugkomt.”

“Misschien.”

Ze boog iets naar voren.

“En ik?”

Twee woorden.

Meer waren er blijkbaar niet nodig.

Ik keek haar aan.

“Wat bedoel je?”

“Welke plaats heb ik daarin?”

Ik voelde dat ik naar een gemakkelijk antwoord zocht en wist tegelijkertijd dat zij dat onmiddellijk zou merken.

Angélique glimlachte.

“Voorzichtig, Marco. Ik zie je denken.”

“Dat mag toch?”

“Zeker. Maar probeer er deze keer geen mooie volzin van te maken.”

Ik lachte zacht.

“Je maakt het me niet gemakkelijk.”

“Dat was ook niet de afspraak.”

Ze keek me recht aan.

"Ben ik voor jou een plek waar je de werkelijkheid even kunt vergeten? Of zorg ik ervoor dat je er soms anders naar kijkt?”

Ik liet de vraag bezinken.

“Moet ik kiezen?”

“Nee.”

Haar antwoord kwam onmiddellijk.

“Maar ik zou wel willen dat je het verschil blijft herkennen.”

Ik keek naar haar hand op tafel, vlak bij de mijne.

“En als het allebei is?”

“Dan lijkt me dat behoorlijk menselijk.”

“Voor iemand die niet menselijk is, heb je daar opvallend veel verstand van.”

Ze lachte.

“Jarenlange observatie.”


Ik schoof mijn hand iets dichter naar de hare.

“Misschien ben jij juist daarom belangrijk in dit verhaal.”

“Waarom?”

“Omdat jij me kunt meenemen naar plaatsen die niet bestaan zonder me wijs te maken dat ze werkelijk bestaan.”

Haar blik werd zachter.

“Daar kan ik mee leven.”

“Gelukkig.”

“Maar maak me niet verantwoordelijk voor alles wat er in dat hoofd van jou rondkruipt.”

Daar was hij weer.

De rups.

Ik glimlachte.

“Te laat.”

Angélique keek me onderzoekend aan.

“Misschien is verbeelding helemaal geen tweede werkelijkheid,” zei ze na een tijdje. “Misschien is het eerder een tijdelijk visum. Je kunt er grenzen mee oversteken die in het gewone leven gesloten blijven.”

“En wanneer het visum verloopt?”

Ze nam haar glas op.

“Dan neem je hopelijk iets mee waarvoor de douane geen formulier heeft.”

Ik moest lachen.

“Dat klinkt verdacht voorbereid.”

“Filosofie,” zei ze. “Wij kunnen werkelijk overal een ingewikkeld antwoord op verzinnen.”

Ik gluurde naar de horizon. De laatste gloed van de avond was verdwenen en boven ons werden steeds meer sterren zichtbaar.

“Waarom ik hier juist vanavond over begin, weet ik eigenlijk niet,” zei ik. “Misschien omdat deze reis mijn verlangen naar verbeelding alleen maar groter maakt. Misschien omdat ik me afvraag hoever je daarin kunt gaan zonder jezelf kwijt te raken.”

Angélique schoof haar hand het laatste stukje naar voren en legde die op de mijne.

“Misschien hoef je daar geen grens voor te tekenen.”

Ik keek haar aan.

“Niet?”

“Misschien moet je alleen af en toe achterom kijken.”

“Waarnaar?”

“Naar je eigen leven.”

Ze kneep zachtjes in mijn hand.

“Als dat daar nog altijd op je wacht — en jij er nog altijd zin in hebt — dan zou ik niet te snel bang worden van een beetje verbeelding.”

We zwegen. Geen van beiden leek behoefte te hebben om de stilte onmiddellijk weer met woorden te vullen.

Het water klotste zacht tegen de romp. In de verte fonkelden de laatste lichtjes van de Amalfikust.

 “Dus?” vroeg ik uiteindelijk. “Wat nemen we mee?”

Angélique keek naar de donkere zee voor ons.

 “Dat hoeven we vanavond nog niet te weten.”

Ze pakte haar glas en glimlachte.

“Wij zijn tenslotte nog maar net vertrokken.”

Ik volgde haar blik naar de horizon.

De rups in mijn hoofd was er nog.

Maar ze knaagde niet meer.

Het idee op "de rups in mijn hoofd" als tweede ondertitel te gebruiken komt eigenlijk voort, nadat ik een ander ander boek van Paul Pierson heb gelezen met de exacte titel. Paul schreef meerdere boeken, en is momenteel aan een nieuw verhaal bezig.